Toen ik in Luxemburg de dood vond, stond dat eigenlijk niet in de planning. Een oud waarzegstertje op een louche kermis ergens achteraf in de Achterhoek had mij in mijn tienerjaren ooit voorspeld dat ik minstens negentig zou worden terwijl mijn nageslacht over mijn nalatenschap zou kibbelen. Of, nou ja, iets in die trant zei ze. Doodgaan was voor mij in ieder geval niet weggelegd. Totdat ik stierf, natuurlijk.
Het nadeel aan sterven is dat er altijd achterblijvers zijn. In mijn geval waren er meerdere. Zo zou de vrachtwagenchauffeur die mij over het hoofd had gezien zich zijn leven lang schuldig blijven voelen. Het was pas na zijn dood, toen hij mij weer ontmoette, dat ik hem eindelijk kon verlossen daarvan – ongelukken horen nu eenmaal bij het leven. Het thuisfront, dat luttele uren na mijn dood op de hoogte werd gesteld, was ontroostbaar. Ik was een moederskindje geweest en mijn moeder schreeuwde dan ook heel de buurt bij elkaar toen ze was ingelicht – schijnbaar heeft ze er drie dagen over gedaan om eindelijk een zinnig woord uit te brengen.
Van de perikelen thuis was ik me niet bewust. Ik keek neer op een andere achterblijver, die nog in Luxemburg was. Hij was naast mijn lichaam neergeknield terwijl hij de haren uit mijn bebloede hoofd veegde. Ik zag hem snikken en snotteren, maar niet hoorbaar. Zijn reactie was ingetogen, alsof hij niet wilde laten merken wat er precies in hem omging. Het enige dat ik zag was dat hij me heel kalm bleef aaien terwijl de wereld om hem heen in rep en roer was; omstanders stoven door elkaar heen terwijl ze hulp probeerden te bieden, het alarmnummer belden, of van schrik niet meer wisten waar ze moesten kijken. Emre, daarentegen, was het toonbeeld van rust tussen die wirwar van mensenlichamen. Niets kon hem weerhouden van zijn taak, al verrieden zijn tranen dat het tegen beter weten in was.
Emre had mij vaak verteld dat hij nog nooit met de dood in aanraking was geweest. Hij liep langzaam tegen de dertig, maar nog nooit in zijn leven had hij ook maar een dode gezien. Begrafenissen en crematies waren hem altijd voorbij gegaan en hij verzekerde mij elke keer dat zijn eerste dode een grote impact op hem zou maken. Dat uitgerekend ik die eerste dode was moet cru voor hem zijn geweest; ik was zijn maatje, de enige aan wie hij zijn geheimen had toevertrouwd. De enige die überhaupt wist dat de dood al die tijd ongrijpbaar voor hem was geweest. En nu was die dood daar dan opeens voor hem, als plaaggeest van zijn geluk.
Ik moet zeggen dat ik me mijn dood zelf ook anders had voorgesteld. Niet dat ik per se dik in de negentig had willen worden, maar het is nogal wat om door een vrachtwagen geschept te worden in een zo vriendelijke setting als Luxemburg. Emre en ik hadden juist besloten om daar naar toe te gaan omdat we betoverd waren geraakt door het vriendelijke heuvellandschap en de aardige inwoners. Het had meer te bieden dan alleen goedkope benzine. Nu lag mijn lichaam daar echter op straat, levenloos, terwijl ik van boven het schouwspel gadesloeg. Hoewel ik pas enkele minuten dood was begreep ik terdege dat deze droomtoestand alles behalve fantasie was; daarvoor waren de plas bloed waarin ik lag en het verdriet dat Emre toonde te realistisch. Het kippenvel dat ik van binnen voelde tekende zich niet af op mijn huid toen ik daarnaar keek. Mijn gestokte adem had ook geen effect op het lichaam dat daar op een Luxemburgse stoep lag. Hoezeer ik ook naar lucht hapte, de borstkas van dat lijf bewoog niet meer. Ik was dood en kon niet meer uit die droom ontwaken.
Tegelijkertijd zag ik dat Emre het zich nog niet besefte. Hij zat daar maar, terwijl hij me geruststelde. Hij liet niet los, ook niet toen het ambulancepersoneel mij wilde verzorgen en hem van mij weg wilde halen. Emre verbleef het gehele spektakel in zijn apathische toestand, vanaf de eerste keer dat de broeders me reanimeerden tot het moment dat ze het opgaven. Ik kon aan hem zien dat hij de beelden wel mee kreeg, maar dat hij ze niet registreerde. Net als ik was ook hij in een droom beland waaruit hij maar niet kon ontwaken. Ik zag dat hem denken aan alle momenten die we samen hadden beleefd en die hem welhaast hadden verzekerd dat hij nog een lange, gelukkige toekomst met me tegemoet zou gaan. Ik zag hem denken; denken dat dit alles nu opeens een illusie was.
***
To be continued...